Voor Descartes had de luis geen maagdarmkanaal

0 Posted by - 4 februari, 2012 - Boeken, NRC Handelsblad
Tamar Stelling
NRC Weekend – Wetenschap | 4 – 5 feb 2012 | p. 11

Dit 61ste deel van het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek staat in het teken van de vervlechting van kunst en wetenschap in de vroegmoderne tijd in Nederland (circa 1500 – 1800). Het duidelijke onderscheid tussen kunst en wetenschap zoals wij dat nu kennen, bestond toen nog niet. Het Engelse woord ‘science’ ontstaat in de negentiende eeuw, en wordt ook pas dan gebruikt in onze huidige betekenis. Voor die tijd was wetenschap geen ‘science’, maar eerder natuurfilosofie. Toenmalige kunst en toenmalige wetenschap behoorden tot een zelfde way of knowing; ze waren complementair in plaats van tegenovergesteld.

Jorink en Ramakers verzamelden voor dit boek elf essays die hiervan blijk geven, geschreven door verschillende historici. De onderwerpen gaan alle kanten uit. Het boek leest als een aaneenschakeling van geestige en uiterst informatieve anekdotes, maar er lopen wel een aantal rode draden door de rijk geïllustreerde reeks.

Neem de impact van de filosofie van René Descartes. Vóór Descartes nam men op gezag van Aristoteles aan dat lagere levensvormen als insecten, reptielen of wormen geen ingewanden hadden. Ze zouden ook spontaan ontstaan uit rottend organisch afval. Maar volgens Descartes zat achter alles een mechanisme, alles was materie in beweging. Dit idee bracht microscopist Johannes Swammerdam ertoe de luis eens nader te bestuderen. Al snel laat hij zich lyrisch uit over het zenuwstelsel, maagdarmkanaal en geslachtsdelen van het dier. Swammerdam ziet overal Gods hand in. God als kunstenaar der kunstenaars. De wetenschapscultuur van de Nederlandse Gouden Eeuw blijkt lang niet zo zakelijk, pragmatisch en rationeel als lang gedacht. Wetenschap was geen puur beschrijvende en waardevrije onderneming, de bestudering van de natuur stond bol van de religieuze connotaties.

Swammerdam bezat toevallig een ongebruikelijk groot grafisch talent. Antoni van Leeuwenhoek zou professionele tekenaars in dienst hebben gehad. Zo leunde de wetenschap vaker op het observatievermogen van kunstenaars, wat soms tot koddige misverstanden leidde. Toen in 1577 bij Antwerpen een potvis aanspoelde, zagen tekenaars hun kans schoon om een dier dat je niet zomaar ziet toch vast te leggen. De potvis had toevallig een laterale vin die qua vorm wel wat weg had van een oor. Een aantal kopieën later, was het gewoon een oor. Als zodanig kwam deze potvis ook in enkele natuurhistorische boeken te staan; met een groot uitstekend oor naast zijn oog. Want waarom zouden de organen van zeedieren niet lijken op die van dieren op het land? Voor samenstellers van natuurhistorische boeken zoals Carolus Clusius was het knap lastig om uit de enorme hoeveelheid beschikbare varianten op getekende beesten de meest natuurgetrouwe te kiezen. Ook zijn tijdgenoot Conrad Gesner had zijn bedenkingen bij afbeeldingen van een eenhoorn, of van een walrus met vier poten, maar kon er niet echt omheen.

Anderzijds waren er ook kunstenaars wier verstand van zaken niet onderdeed voor natuurfilosofen, zoals Jan Brueghel de Oude. Zijn verschillende opeenvolgende versies van Allegorie op de Lucht illustreren zijn toenemende ornithologische kennis. Schitterend om te zien.

Art and Science in the Early Modern Netherlands
Eric Jorink, Bart Ramakers, WBOOKS, 306 blz., €105,-