Verhef en emancipeer de illustraties

0 Posted by - 30 december, 2011 - Exposities, NRC Handelsblad, NRC Next
Beeld: On the Waiting of Something Else, Thaddeus Strode
TAMAR STELLING
nrc.next | 2 januari 2012 | p. 22
NRC Handelsblad | 30 december 2011 | p. 22

De illustratie of striptekening is niet ondergeschikt aan het schilderij, aan kunst met een grote K, menen de twee curatoren van expositie The Comic Side of Art. NEST-directeur Eelco van der Lingen en zijn co-curator tekenaar Melle de Boer ergeren zich aan Nederlandse kunstacademies, die de beeldtaal van de strip vakkundig uit het kunstdomein zouden weren.

Want wat is nou het grote verschil tussen strip en kunst? Waarom ís strip niet gewoon kunst? Het is onduidelijk of Van der Lingen en De Boer ijveren voor de emancipatie of juist de verheffing van illustraties. Maar de expositie wil in ieder geval ‘iets’ met de overgang of grens tussen strip en kunst. Daarom etaleert Beeldende k unst Nest een elftal kunstenaars – waaronder De Boer zelf – wiens werk ‘stripachtige elementen’ herbergt; dit kan van alles zijn.

In het geval van De Boer zijn het de superhelden uit de stripboekjes waar hij mee opgroeide. De Boer, overtuigd dat hij later een superheld zou worden, is teleurgesteld dat hij in zijn volwassen jaren nooit heeft leren vliegen. Half uit frustratie tekent hij nu vliegende superhelden, in de stijl van een gedreven 11-jarige. Zijn tekeningen zijn vaak collages, van bijvoorbeeld versleten drumvellen beplakt met goedkope stukjes speelgoed of aluminiumfolie. Soms zijn het ook vrij letterlijk strips, zoals in het geval van de vier roddelende stoelen die een filmdialoog opzeggen.

Tekst is aanwezig in veel ‘stripkunst’. De grootste naam bij NEST in dit genre is de Amerikaan Raymond Pettibon. Hij schilderde een honkballer naast de woorden ‘his thoughts were always towards the far-flung’. Pettibon genoot geen kunstonderwijs, maar was leraar wiskunde en begon platenhoezen te illustreren in Los Angeles. Zijn werk verkreeg faam binnen de punkrockscene, wat hem snel bekendheid opleverde in de kunstwereld.

De bekendste naam van Nederlandse bodem is waarschijnlijk Martyn F. Overweel. Hij moet die overstap van illustrator naar kunstenaar nog maken. Aan Overweels muur een assorti van ingelijste spotprenten. Overweel laat Hitler zich afvragen of deze moet overstappen op een brede jarenzeventigpornosnor, om zijn kansen te vergroten bij bier schenkende Duitse dames.

Werken zonder tekst halen hun stripkwaliteit uit een andere hoek. De Zweed Johan Gustavsson tekent aan een visuele autobiografie. Wanneer hij bijvoorbeeld een schilderij ontdekt dat hem roert, maakt hij daarna een visueel verslag van deze kennismaking; een illustratie van hemzelf oog in oog met een gekleurd vlakje aan de muur. Gustavsson lijkt z’n tekeningen bewust niet af te maken. Het zijn hoofdzakelijk witte vlakken met kleuraccenten en perspectieflijnen die ophouden in het niets. Het zijn ook nooit de mensen die ingekleurd zijn, maar de attributen – zoals figurerende kunstwerken, banken en tafels, of nagellak.

Deze soberheid in kleur valt op, niet alleen bij Gustavsson. Het is overheersend bij de gehele stripkunstexpositie. Eigenlijk heel onstrip. Natuurlijk zie je veel zwartwit, maar daarnaast werkt bijvoorbeeld de Rotterdammer Ewoud van Rijn slechts in donkergroen, donkerrood en goudbruin.

Naar eigen zeggen is er aan Van Rijn inderdaad een striptekenaar verloren gegaan toen hij zich inschreef voor de Koninklijke kunstacademie te Den Haag. Daar maakten ze korte metten met zijn stripaspiraties. Desondanks doet zijn grillige ‘handschrift ’ sterk denken aan de comicreeks Witchblade uit 1995. In NEST hangt een arsenaal aan lugubere doodsengelen van Van Rijn, aan losse spijkers in plaats van in lijsten.

Beeldende kunst
The Comic Side of Art. T/m 15 jan in NEST,
De Constant Rebecqueplein 20B, Den Haag.
Inl: nestruimte.nl ***