‘Het lijkt me zo heerlijk om heel hard te zingen’

0 Posted by - 1 januari, 2012 - Interviews, Moesson
Beeld: Medea en de draak, Thé Tjong-Khing, uit: De Griekse Mythen, Els Pelgrom, Lannoo

Het is 1956. De 23-jarige Thé Tjong-Khing verlaat huis en haard in Bandung om aan de andere kant van de wereld een carrière als illustrator na te jagen, in Amsterdam. Ik stel me Thé voor als dappere jongeling met een rotsvast vertrouwen in eigen kunnen, maar volgens Thé zelf werd hij vooral geplaagd door grote onzekerheid. ‘Ik was nergens goed in. Ik kon alleen maar tekenen.’ Alles wat Thé kende aan boeken met plaatjes kwam uit Nederland. ‘In mijn beleving was Nederland het Walhalla!’ Hij moest wel weg.

TAMAR STELLING
Moesson | jan 2012 | nummer 1 

In retrospect legde de vier weken durende overtocht Thé geen windeieren. Vele tekengenres, tekenstijlen en minstens 300 kinderboeken verder, puilt zijn trofeeënkast uit van de Gouden Penselen en sleept hij nog altijd de ene na de andere tekenopdracht binnen.

Thé is nu 78. Sinds september huisvest het Kinderboekenmuseum in Den Haag de grootste tentoonstelling van zijn werk tot nu toe. En als klap op de vuurpijl kwam dit jaar het standaardwerk over Thés opmars tot ’s lands meest geliefde kinderboekenillustrator uit: Thé Tjong-Khing: van strip tot sprookje.

Hoe kwam u eigenlijk ‘van wieg tot strip’?

‘Het is de bioscoop geweest die mijn tekendrang triggerde. En dan met name de film Destry Rides Again, met Marlene Dietrich, die ik zag toen ik… acht of negen was? Dat maakte een enorme indruk. Vrouwen rolden vechtend over de grond, ongekend. Ik tekende eindeloos vaak scènes uit dit soort Hollywood- films na. Mijn vader bezat rond die tijd een bioscoop in Cirebon, dus ik heb er veel kunnen zien. De eerste tekeningen van mijn hand zijn naturalistische strips, opeenvolgingen van film stills in Oost-Indische inkt.’

Koud in Holland had u al vrij snel een opdrachtgever aan de haak, Tim Maran. Beginnersgeluk?

‘Wij ontmoetten elkaar op een feestje, hij vroeg waar ik vandaan kwam en wat ik hier deed. “Oh, ben je illustrator? Dan mag jij vanaf nu al mijn boeken illustreren!” Bizar, hè? Toen dacht ik: ja dat zal wel. Een week later belde zijn uitgever mij op: “Tim zegt dat jij al zijn boeken moet illustreren.” Ze stuurden me prompt bergen manuscripten op. Ik sprong in het diepe! Tim gaf mij een enorme kans. Je kunt een uitgeverij niet binnenwandelen met de vraag: heb je werk voor me? Dat krijg je niet zomaar. Daarbij kon ik nog niet zoveel, ik kwam rechtstreeks uit Indonesië.

Aldoende leerde ik het vak, met die boeken van Tim Maran. Hij was mijn tegenpool, heel impulsief en voortvarend, zag nooit beren op de weg. Hij heeft nog gevochten naast Westerling, hij adoreerde Westerling. En hij maakte allemaal illegale nachttochten naar Singapore. Hij schreef jongensverhalen en hij leefde ook dat soort verhalen. Het was een uiterst aardige, avontuurlijke kerel. Van zo iemand is het te verwachten dat hij iemand ontmoet op een feest en zonder één streep van die man gezien te hebben te zeggen: je mag alles illustreren! Ja, zo iemand was dat.’

Tijger voor Tim Maran

 Beeld: Tijger voor Tim Maran, Thé Tjong-Khing

Wat voor leermeester was Marten Toonder?

‘Ik ben vooral schatplichtig aan Hollywood. Er was geen meester die mij vertelde hoe en wat. Toonder leerde het mij niet hoor, die heeft mij alleen heel bewust gemaakt van wat ik al deed. Dat is wel het belangrijkste moment voor mijn carrière geweest.’

Hoe ging dat dan?

‘Marten kwam elke dinsdag en vrijdag naar de studio. Dan bekeek hij wat zijn mensen hadden gemaakt. Als hij wat te zeggen had riep hij een van die tekenaars naar boven, naar zijn kantoortje. Zo was ook mijn eerste ontmoeting met Marten, op het kantoortje, niet bij de sollicitatie ofzo. Ik zat er toen een maand denk ik. “Het is wel goed wat jij doet hoor”, zegtie. “Kijk maar wat jij hier gedaan hebt.” Ik deed gewoon wat ik leuk vond, ik wilde een spannend verhaal maken, klaar. Maar hij zag allerlei techniek en opbouw in mijn werk. Ik had geen idee! Voor het eerst hoorde ik dat ik goed was! Marten vertelde mij wat ik allemaal kon. Dat had ik wel nodig. Ik had een soort blokkade. Tekenen, ja, ik teken wel, maar het is niks. Zo. Dat idee had ik altijd.’

Tussen de strips en de sprookjes zaten een heleboel kinderboeken. Eentje was de eerste: Total Loss, weetjewel van Miep Diekman. U kreeg deze totaal nieuw-soortige opdracht en was meteen enthousiast?

‘Nee, niet echt. Ik wist niet precies hoe ik daarvoor moest tekenen. Ik wist wel dat het geen striptekening kon zijn, maar dat heb ik toch gedaan. Nu vind ik het vreselijk om te zien, maar zij vond het wel mooi.’

Hoe verliep die eerste samenwerking?

‘De uitgever belde me op, zij niet. Ik heb haar later pas ontmoet, vlak voordat ik begon met tekenen. Dat was alles.’

Jullie werkten langs elkaar heen? Ik dacht juist dat er op een gegeven moment een haast symbiotische relatie tussen u en een schrijver ontstond.

‘Ja, helemaal langs elkaar heen. Ik ontmoet schrijvers doorgaans niet. Veel collega-illustratoren doen dat wel hoor, die vinden dat juist fijn.’

Bijzonder, want de schrijvers in kwestie zijn vaak zo blij met uw verbeelding van hun verhalen! ‘Thé begrijpt het zo goed.’

‘Ja dat vind ik zo vreemd! Als jij een boek schrijft, heb jij toch van alles in je hoofd? Hoe het eruit ziet allemaal? En als ik met een tekening aankom… die kan niet anders dan niet kloppen, toch? Tot mijn verbazing zeggen veel schrijvers dat ze geen beeld hebben van bijvoorbeeld de hoofdpersoon.’

Schrijvers zijn niet visueel ingesteld.

‘Nee, ze weten precies hoe karakters in elkaar zitten, niet hoe ze eruit zien. Els Pelgrom is een uitzondering. Die begint zelfs met een foto, of met een stadsdeel. Daar weeft ze een verhaal omheen. Zij weet precies hoe alles visueel in elkaar steekt! Dus zij schrikt vaak als ze voor de eerste keer mijn versie, mijn tekeningen ziet.’

Sturen uitgevers of schrijvers u wel eens van het kastje naar de muur? Dat ze toch liever een Eiffeltoren in beeld hebben, of iets meer paars…

‘Nee, nooit. Ja, één keer. Een schrijver wilde mij per se spreken, ondanks dat ik alleen een boekomslag moest illustreren. Afijn, ik naar hem toe. Hij wilde niks minder dan zijn hele levensverhaal op de kaft! Ik vroeg: wilt u een strip, of wilt u een collage of wat wilt u dan? “Nee nee nee, een tekening die mijn hele leven vat.” Toen dacht ik: het is erg gevaarlijk om met schrijvers te spreken.’

In 2007 illustreerde u voor het eerst bij eigen werk: De Sprookjesverteller. Vanwaar deze gooi naar het schrijverschap?

‘Dat is dankzij mijn kleinzoon Tobias, voor hem maakte ik dit sprookjesboek. Ik las hem vaak sprookjes voor en dan verveelde hij zich. De meeste sprookjes zijn te wijdlopig, te langdradig. Dus op een gegeven moment veranderde ik bepaalde zinnen, of ik liet alinea’s weg. Dat vond hij veel beter en ik veel leuker om voor te lezen! Ik ben mijn sprookjesvarianten op gaan schrijven, want Tobias wilde de volgende keer dat ik het weer precies zo vertelde. Heel toevallig had uitgever Gottmer op dat moment het idee om een boek met klassieke sprookjes uit te geven. Of ik dat leuk vond om te illustreren? Ja natuurlijk, dat zoek ik al jaren! “En wie zullen we daarvoor vragen?” Nou, ik had nog wel een paar verhaaltjes liggen… En zo is het gegaan.

Maar ik ben geen schrijver hoor, ik kan geen verhaal verzinnen, dat lukt me niet. Ik heb wel ideeën, maar ik kan er geen verhaal van maken. Heel vervelend. Ik zie een film in mijn hoofd, maar als losse, onsamenhangende scènes. Om die aan elkaar te plakken, daar moet je een ander talent voor hebben, denk ik.’

Is De Sprookjesverteller hierdoor een beetje uw lievelingsboek?

‘Zeker. Samen met het kinderboek Helden – over Griekse mythen – dat ik samen met Els Pelgrom maakte. Beide werken tonen mijn beste illustraties tot op heden, als je het mij vraagt.’

Marten vertelde mij wat ik allemaal kon. Dat had ik wel nodig. Ik had een soort blokkade. Tekenen, ja, ik teken wel, maar het is niks. Zo. Dat idee had ik altijd

Wat lezen we niet in Thé Tjong-Khing: van strip tot sprookje wat u wel graag nog deelt met de liefhebber?

‘Niets! Ik heb zelfs aardig wat stukjes eruit gehaald. Persoonlijke dingen vind ik helemaal niet leuk. Toen ik ‘t boek voor het eerst in handen kreeg tijdens de opening van de tentoonstelling in het Kinderboekenmuseum, kreeg ik de aanvechting om het te verstoppen ergens. Ik had het gevoel dat ik in mijn blootje stond, op dat podium daar. Het gevoel: oh God, nu weet iedereen er alles van.’

Wat is het probleem dan? Veel mensen schrikken in eerste instantie als ze over zichzelf lezen, maar denken uiteindelijk: ach…

‘Als ik een biografie van iemand anders lees waar vreselijke dingen in staan, dan neem ik die voor kennisgeving aan en verder niet. Maar als er in mijn boek iets staat over mij, dan is dat voor mij heel erg heftig. Voor anderen niet, dat weet ik wel, maar ik vind het toch vervelend dat iedereen dat weet.

Ik deed bijvoorbeeld een hele tijd geleden mee aan een filmquiz van de KRO Voor een briefkaart op de eerste rang. Ik won acht keer achter elkaar. Ik was acht maanden lang op tv. Als ik m’n hoofd buiten de deur stak riep iedereen: hé, daar is die meneer van die quiz. Dat is heel vervelend. Het idee dat je bekeken wordt. Daarom heb ik grote bewondering voor leraren. Zij worden de hele dag begluurd en beoordeeld. Ik zou daar niet tegen kunnen.’

Maar u was drie jaar lang leraar aan de Rietveld Academie in Amsterdam?

‘Ja dat was niet leuk. Ook omdat je werk moet beoordelen van anderen. Vaak denk ik: iedereen mag doen wattie wil, waarom moet ik daar nou weer wat van zeggen? En dan zit ik met mijn eigen smaak, ik vind bepaalde dingen gewoon niet mooi. Ik krijg tekeningen onder ogen waar heel hard op gewerkt is met liefde, maar waar ik gewoon niks aan vind. Dat is heel moeilijk, wat moet ik dan? Daar ben ik nooit uit gekomen.’

Toch spreken oud-leerlingen vol lof over u.

‘Nou, niet allemaal! Ze vonden m’n werk leuk en dat was het. Ik was heel gedreven en dat heeft hun ook geïnspireerd hoorde ik later. Iemand die zo opgaat in zijn werk kan inspirerend zijn. Maar ik heb een heleboel leerlingen in verwarring gebracht denk ik. Mijn voorganger op de Rietveld zei: “Ik lever nooit kritiek op verbeelding, alleen op zuiver technische aspecten, op hoe je dingen voor elkaar krijgt.” Maar dat vind ik dan zo saai, zoiets. Dan wil ik toch wel zeggen van je moet een beetje…dit of dat. En dat is dan weer zo subjectief, hè? Een exact vak onderwijzen is anders. Je kunt bewijzen dat je gelijk hebt. Je hebt het over concrete dingen.’

Ik heb wel ideeën, maar ik kan er geen verhaal van maken. Heel vervelend. Ik zie een film in mijn hoofd, maar als losse onsamenhangende scenes. Om die aan elkaar te plakken, daar moet je een ander talent voor hebben denk ik.

Hoe ziet de toekomst eruit voor de illustrator, met alle nieuwe media? Strips op de iPhone, sprookjes op de iPad?

‘Oh, daar weet ik niks van. Mijn zoon is helemaal gek van die dingen, voor mij is het tovenarij. Ik probeer weleens iets te doorgronden van de computer, maar als ik het een paar dagen niet doe ben ik alles weer kwijt. Ik gebruik wel Google, om dingen op te zoeken. Momenteel werk ik aan een kinderboekversie van de opera Carmen en in mijn plaatjesarchief heb ik dan bijvoorbeeld geen beeld van de arena van Sevilla, of van hoe een Spaanse soldaat er rond achttienzoveel uitzag. Zijn kledingstuk. Het hoeft niet 100 procent te kloppen, maar ik kan hem niet zo’n militair pak van nu aantrekken natuurlijk, of iets uit de tijd van Napoleon.’

Ah, internet als beeldbank. Maar geen mooie strip- of illustratieblog voor u? Denk aan Ape on the Moon, The Oatmeal of xkcd.

‘Nee, dat ken ik allemaal niet. Maar Justin Bieber is ook zo begonnen hé? Op internet?’

Haha, sorry? Justin Bieber?

‘Ja! Ik werd laatst uitgenodigd op een basisschool. Tegen het einde van mijn bezoek vroeg ik de kinderen wat ik voor ze moest tekenen op het bord. Justin Bieber! Riep iedereen. Wie is dat nou weer? Toen kwamen allemaal meisjes naar me toe met foto’s van hem op hun iPhone – een jongetje met allemaal haar voor z’n gezicht! Thuis gekeken wie hij nou was. En kleinkinderen hoor ik veel over Ralf, de winnaar van het Europese Junior Songfestival.’

U heeft wel iets met zang?

‘Jaaa, ik was eigenlijk veel liever operazanger geworden. Nee, ik kan helemaal niet zingen, maar het lijkt me zo heerlijk om heel hard te zingen, te schreeuwen, zoals bij The Voice of Holland!’

Kijkt u dat? Wie is uw favoriet?

‘Ja, ik kijk zeker, trouw elke vrijdag. Eh, die kleine Israëliër. Zo’n heel klein mannetje, die bij Roel van Velzen zit… Guy Barzily!’

Heeft u nog idolen of voorbeelden die zich net als u uitdrukken in beeld?

‘Ik vind het heel knap hoe Shaun Tan eigenhandig de graphic novel op de kaart zette met The Arrival. En ik kan sowieso jaloers worden op elke kunstenaar van wie ik de indruk heb dat hij simpelweg doet wattie wil. Zoals David Hockney, geweldig. Hij ziet iets en hij begint het gewoon na te schilderen. Of dat schilderij daar tegen de boekenkast, dat is gemaakt door een verstandelijk gehandicapte. Die is ook helemaal niet geremd. Hij schilderde Agostina Segatori van Van Gogh na, maar ik vind Van Goghs versie eigenlijk veel minder leuk!

Onbevangenheid, dat is echt heel erg waardevol voor mij. Ik zit vol met wetjes en regeltjes. Ik werk erg met mijn hoofd, met mijn verstand. Als ik een illustratie maak kan ik daar héél lang aan werken. Dan verander ik dit, dan verander ik dat. Om maar steeds andere kleine effectjes teweeg te brengen, zodat het plaatje steeds dichter bij mijn droombeeld komt. Dat zoeken naar hoe krijg ik op papier wat ik in mijn kop heb, dat is het leuke aan mijn werk. Maar het lijkt me ook geweldig als je dat verstandelijke uit kunt zetten! Kinderen kunnen dat goed. Het is de aard van het beestje hè.’

Cover van strip tot sprookjeTijdlijn Thé Tjong-Khing

1933 Geboorte van Thé op 4 augustus in Purworejo
1939 De film Destry Rides Again komt uit
1952 Thé volgt de Seni Rupa-kunstacademie in Bandung
1956 Thé vertrekt naar NL, ontmoeting Tim Maran
1957 Ontmoeting Marten Toonder
1973 Eerste kinderboekenillustratieopdracht: Total Loss, weetjewel door Miep Diekmann
1976 Thé zet een punt achter zijn carrière als striptekenaar
1981 Tot 1984 geeft Thé les aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam
1984 ‘Literair’ kinderboek Kleine Sofie en Lange Wapper door Els Pelgrom komt uit
1998 De Vos en Haas boeken blijken Thé’s grootste commerciële succes
2007 Thé schrijft en illustreert De Sprookjesverteller voor kleinzoon Tobias
2010 Thé ontvangt Max Velthuijs-prijs voor gehele oeuvre