Derde oog op een kikkerkop, mag dat?

0 Posted by - 17 december, 2011 - Features, NRC Handelsblad
Beeld: 2.6g 329m/s uit ‘Bulletproof Skin, Exploring Boundaries by Piercing Barriers’ door Jalila Essaïdi

KUNST EN WETENSCHAP Een kunstenaar die bio-art maakt, moet die al die nieuwe levensvormen ter discussie stellen? Of mag hij gewoon ‘mooie’ dingen maken?

Tamar Stelling
NRC Weekend – Wetenschap | 17 – 18 december 2011 | p. 7

De kunstenaar heeft een nieuw atelier gevonden in genetische en biologische laboratoria. Hier doet hij niet aan onderzoek, maar aan bio-art. Nederland loopt voorop. Eind vorig jaar had Nederland een wereldprimeur met de uitreiking van een eerste prijs puur voor biokunst.

Deze Designers & Artists 4 Genomics (DA4G) Award gaat naar biokunst-concepten. Het prijzengeld van 25.000 euro is bedoeld voor de verwezenlijking daarvan. Winnaars zijn bij voorbaat al aan onderzoekers gekoppeld, middels speeddating. Hoe anders was dit voor de eerste generatie biokunstenaars, twintig jaar geleden. Zij moesten zich vrijwel allemaal invechten in laboratoria.

Maar wat heeft een kunstenaar te zoeken in een lab? Moet de kunstenaar ons aan het denken zetten over vragen in de levenswetenschappen? Wat is de definitie van leven? Hoe bepalen we die? Wat is een individu? Hoe nemen we verantwoordelijkheid voor designer babies, transgene dieren, klonen of semi-levende entiteiten?

Volgens Huub de Groot, hoogleraar biofysische organische chemie aan de Leidse universiteit en biokunstkenner, strookt de belevingswereld van de levenswetenschapper vaak niet met de beleving van het algemene publiek. Beide zijn in een andere, wat De Groot noemt – fysicus als hij is – ‘culturele eigentoestand’.

De Groot: “Wij wetenschappers willen mensen beter maken, we willen betere voedselvoorziening, we willen beter van dit en beter van dat, maar ten koste van wat? Een levenswetenschapper neemt bepaalde posities in; hij presenteert zijn project of vindingen als dé oplossing voor een bepaald probleem. Alleen moet je wel beseffen, ook al heeft hij het aureool van de expert, tot op zekere hoogte is dat gewoon een mening.”

Een biokunstenaar kan dat zichtbaar maken. Zo kwam Adam Zaretsky – biokunstenaar van het eerste uur – ooit in contact met een wetenschapper aan de Rockefeller University die trachtte een derde oog te laten groeien achter op de kop van een kikker. “Hij was er heilig van overtuigd dat hij hier mensen mee hielp”, vertelde Zaretsky aan journaliste Emily Voigt. “Hij: ‘ik help blinde kinderen’, ik: ‘je laat ogen achter op de kop van kikkers groeien.’ Hij weer: ‘nee, ik help blinde kinderen’, ik: ‘de kikkers hebben ogen achter op hun kop.’”

“De biokunstenaar speelt een belangrijke rol in het nagaan of wat we allemaal kunnen, wel echt is wat mensen willen”, aldus De Groot. “Een biokunstenaar staat vaak dichter bij het publiek, hij komt uit de samenleving. Maar tegelijkertijd is hij ingebed in het lab, waar hij leert over de culturele eigentoestand van de levenswetenschapper – wat ook alleen maar kan door in zijn waardesysteem mee te draaien.” Hier maakt de kunstenaar observaties en aantekeningen. “En op een gegeven moment heeft hij een enorme hoeveelheid tegenstrijdigheden verzamelt, dubbelzinnigheden. Dát zet hij in ‘een beeld’ neer – van biomaterie of niet – en door de paradoxen die erin zitten kan interactie tussen de twee culturele eigentoestanden niet uitblijven.”

Marketinginstrument

Wat De Groot van de biokunstenaar wil, lukt alleen als de biokunstenaar genoeg ruimte krijgt om het grensvlak te verkennen en een positie in te nemen. DeGroot: “Die tweede stap maken ze bij het NGI niet.” Het NGI, dat is het Netherlands Genomics Institute, de geldschieter van de DA4G-award.

Volgens de Leidse hoogleraar Rob Zwijnenberg, kunsthistoricus en filosoof, gebruikt het NGI biokunst als marketinginstrument van de levenswetenschappen. “Ik was 30 september bij een KNAW-bijeenkomst rond de DA4G -winnaars uit 2010. Alle daar aanwezige levenswetenschappers die samenwerkten met DA4G-winnaars vonden ‘Voor wat hoort wat. Wij geven de materialen en ondersteuning, wij verwachten daarvoor een kunstwerk terug dat ons in een positief daglicht stelt’.”

Zoveel werd ook bevestigd door directeur van het NGI Colja Laane, toen hij in juni dit jaar over het selectiebeleid van de DA4G -award zei: “Een richtlijn was ook wel dat de door kunstenaars voorgestelde plannen niet té controversieel mochten zijn. Je wilt de Life Sciences positief over het voetlicht brengen. Het publiek vindt ons al eng genoeg.”

“Die award is een karikatuur. Het verdoezelt het doel van de wetenschap en van de kunst”, zeggen De Groot en Zwijnenberg. Volgens hen levert de DA4G-award door de beperkte opzet zowel flauwe kunst als flauwe wetenschap op, die de kloof tussen bevolking en wetenschappers eerder verhult dan dicht.

Wilma van Donselaar van de NGI weerspreekt dat. Volgens haar kent deelname aan DA4G-award maar één restrictie: je moet binnen de afgelopen vijf jaar je laatste opleiding hebben afgerond. Je moet dus jong zijn. Er is wel overwogen om de prijs open te gooien voor iedereen, maar oudere biokunstenaars moet je ook wat meer betalen en ze zijn in zekere zin al gearriveerd dus minder interessant, vindt ze. Je stimuleert zo geen jong talent. Verder kun je jonge biokunstenaars makkelijker koppelen aan de vaak ook jonge PhD-studenten waar ze eventueel mee samenwerken. Is er geen PhD-student dan is het alsnog makkelijker samenwerken met de oudere generatie wetenschappers, die dat leuk vinden; enthousiaste jonge mensen. Een wat kritische veertiger hoeft niet op dezelfde ontvangst te rekenen.

Daarnaast wijst Van Donselaar op het feit dat de drie winnaars van vorig jaar elk een succesverhaal zijn. Matthijs Munninks opera-opvoerende C. Elegans wormen zijn genomineerd voor de Rotterdam Design prijs. Jalila Essaïdi’s kogelwerende huid trok internationale aandacht – zelfs van het Amerikaanse leger. En de plastic etende brandstofbacterie van Maurizio Montalti is onder bezoekers aan de DA4G-tentoonstelling in Naturalis veruit het populairst, schijnt.

Zwijnenberg is minder enthousiast. “Is aandacht van het Amerikaanse leger nou een aanbeveling?” Over de vier prijswinnaars van dit jaar zegt hij: “Wat is de artistieke status van deze werken, los van het aardige ideetje dat de levenswetenschap nu dit soort dingen mogelijk maakt?”

Propaganda

De vorige week bekend gemaakte vier winnaars van dit jaar (NRC Handelsblad, 9 december, pagina 20) krijgen geld om een mood ring voor planten, schilderijen gebaseerd op informatie uit urine, vijf gerechten van de toekomst en korstmosbedekking voor muren te maken.

“Leuk”, oordeelt Zwijnenberg, “maar leuke kunst verwordt al snel tot decoratie. En in een cultuur waar alle traditionele functies van kunst eigenlijk zijn overgenomen door entertainment, door design en reclame, moet je je als kunstenaar afvragen: wat is nog mijn rol.”

De Groot snapt de angst vanuit het NGI voormogelijk kritische geluiden wel. “Levenswetenschappers hebben het één en ander achter de kiezen.” Bijvoorbeeld in de voedselwereld. De organisatie ‘Ziedende Bintjes’ rooide aardappelvelden met genetisch gemodificeerde aardappels. “Op een gegeven moment hielden wetenschappers geheime veldjes.” Toch raadt De Groot het NGI aan dit soort angsten overboord te zetten. “Ga nou op zoek naar biokunstenaars waarvan je denkt – die leveren echt een wezenlijke bijdrage aan het levenswetenschappendebat. Zoals de award nu is ingericht, als een vorm van propaganda, is jammer.”

“De newbie wordt altijd afgezeken”, weet Marleen Stikker, directeur van Waag Society. “Als je zegt dat jonge kunstenaars niet de juiste, fundamentele vragen stellen moet je bij de kunstacademies klagen. Daarnaast, kan kunst niet ook gewoon leuk zijn?”